Miro Onderzoeksgroep Sociaal Werk

 Visie

De onderzoeksgroep sociaal werk verricht praktijkgericht onderzoek in een grootstedelijke context. De groep ziet haar onderzoek als een hefboom voor stedelijke solidariteit en stedelijk burgerschap waarbij het recht op stad centraal staat . De methodologische expertise en de verkregen onderzoeksresultaten laat de groep terugvloeien naar werkveld, Opleiding Sociaal Werk en Odisee.

De groep richt zich op de Brusselse realiteit. Demografische verschuivingen, superdiversiteit, dualisering, ecologische uitdagingen en schuivende identiteiten maken de gelijke toegang tot grondrechten erg kwetsbaar voor de Brusselse stedeling. Diezelfde grootstedelijke transities vormen tegelijk een vruchtbare bodem voor dynamische netwerken en innovatieve stadsprojecten.

Het onderzoek beoogt de gelijke toegang tot grondrechten te verbeteren door de stedelijke creativiteit te ondersteunen en te versterken. Het onderzoek vertrekt steeds vanuit de noden van het Brusselse werkveld, noden van groepen, formele en informele netwerken, collectieven, professionele organisaties, … Het biedt wetenschappelijk onderbouwde antwoorden op die noden via het ontwikkelen van expertise, het ondersteunen en / of ontwikkelen van stedelijke, sociaal werk praktijken. Het onderzoek heeft daarbij een uitgesproken aandacht voor het verbinden en in kracht zetten van sociale netwerken.

Werkingsprincipes

In de uitwerking van zijn doelstellingen van kennisontwikkeling, onderwijsondersteuning en maatschappelijke dienstverlening, is de onderzoeksgroep Sociaal Werk trouw aan de volgende werkingsprincipes

  1. Beginsel van coöperatief onderzoek. Dit beginsel staat tegenover een competitief model (waar onderzoekers in competitie staan om schaarse onderzoeksmiddelen te verwerven). Het beginsel van coöperatief onderzoek streeft naar samenwerking, solidariteit, wederzijdse ondersteuning: op het vlak van zoeken van onderzoeksmiddelen, op het vlak van het uitschrijven van onderzoeksprojecten, op het vlak van op elkaar afstemmen van onderzoeksprojecten, op het vlak van het inzetten van onderzoeksexpertise (subsidiariteit van aantrekken van onderzoeksexpertise buiten de reeds voorhanden expertise) en op het vlak van kennisontwikkeling op het vlak van kennisdeling.
  2. Beginsel van praktijk-gericht onderzoek. De onderzoekscultuur streeft, geheel in het verlengde van de PRAGODI-onderzoekscultuur, naar het uitbouwen van onderzoek dat: nauw aansluit bij de noden van het werkveld en gericht is op het ontwikkelen van bruikbare tools voor het werkveld en doelgroepen; organisaties op het terrein ziet als partners in onderzoek (en niet uitsluitend als object van onderzoek. Het beginsel van participatief onderzoek werkt ook door in de wijze van onderzoek doen met de samenwerkingspartners; gericht is op kennisontwikkeling die terugvloeit naar het onderwijs van de opleiding sociaal werk en maatschappelijke dienstverlening; De inbedding van het onderzoek in de opleiding sociaal werk bewaakt en cultiveert; praktijkdocenten (docenten actief in beroepspraktijk) actief betrekt in het onderzoek en de kennisontwikkeling als volwaardig onderzoekspartner.
  3. Beginsel van innovatief onderzoek. De onderzoekscultuur streeft naar kennisontwikkeling die innoverend kan zijn voor de verdere ontwikkeling en uitbouw van sociaal werkpraktijken. Zij hanteert hier een brede visie op onderzoek, overstijgt de ‘dividing line’ tussen geesteswetenschappen en empirische wetenschappen, stimuleert samenwerking tussen verschillende wetenschappelijke disciplines en experimenteert met een verscheidenheid van onderzoeksmethodes.
  4. Visie-gericht en transversaal onderzoek. De onderzoekscultuur wil een hefboom zijn in het (verder) ontwikkelen van een visie op stedelijk sociaal werk. De onderzoeksprojecten streven ernaar een dimensie van visie op sociaal werk in hun doelstellingen in te schrijven. Op die manier ontstaan er speerpunten en transversale banden tussen de verschillende onderzoeksprojecten.